Existing Member?

Grga Pitic: "I think this is the beginning of a beautiful friendship." Nambawan!

Perth to Melbourne

Suspended Table, Lake Cave, Leeuwin-Naturaliste NP, WA

AUSTRALIA | Monday, 29 September 2014 | Views [93] | Comments [1]

Suspended Table, Lake Cave, Leeuwin-Naturaliste NP, WA

Comments

1

Antoon Coolen
Zoo zie je me, zoo zie je me niet
Wat is de juiste verhouding tusschen poëzie en persoonlijkheid? Verbergt een dichter zich doorgaans in of achter zijn gedichten, of openbaart hij er zich in? Dat zijn de vragen die gesteld, geheel of ten deele ontkennend en geheel of ten deele bevestigend beantwoord zijn in een polemiek, waaraan o.a. eenige onzer scherpzinnigste dichters ijverig deel genomen hebben. Zoo eenvoudig zijn deze vragen niet, noch is hun beantwoording eenvoudig, wat wel blijkt uit het feit, dat dit probleem, na de vinnige en vlijtige behandeling o.a. door eenige onzer scherpzinnigste dichters, nog evenzeer een probleem is, ja, het is in zijn duisterheid nog eenigermate toegenomen, waaruit men geen wantrouwen jegens de intelligentie onzer intellegentii mag afleiden, maar waaruit men veeleer de gevolgtrekking moet maken, wat een bijzonder lastige en diepzinnige kwestie hier met zooveel nadrukkelijke klem van redenen aan de orde is gesteld. Om onze lezers op nuttige wijze van dienst te zijn en hen voor te lichten omtrent den merkwaardigen stand der verklaring van deze brandende kwestie, waarvan zooveel afhangt voor onze dichtkunst, voor het gedichten lezende publiek en voor het goede en juiste begrip onzer dichters, zullen wij enkele complexen van sneden van zinnen aanhalen uit een zeer verhelderend betoog van den in dit verband als scherpzinnig aangekondigden S. Vestdijk. Zit hij veilig verstopt onder de sombrero schaduwen van zijn berijmd palet, of zit hij frank en vrij daar tusschen de verven op te kijk? That is the question, waarvan de beantwoording wel is waar het aanschijn der aarde niet beïnvloedt, maar toch, uitgestrekt tot al de berijmde paletten van den Helikon, wel eenige duidelijkheid
[p. 326]
brengen kan in den preciezen individueelen aard van ieder die behoort tot de schaarsche bevolking van den geduldigen Parnassus.

De heer Vestdijk schrijft scherpzinnig:
Daar de ‘persoonlijkheid’, als dynamische grootheid, niet vaststaat of vastgesteld kan worden anders dan als fictie, ten dienste van een karakterbeschrijving in tegenstelling tot het ‘werk’, dat toch, tot zekere hoogte, in zijn definitieve gevormdheid maar één uitlegging toelaat, blijft ook de beantwoording van deze vraag geheel willekeurig, zoolang men niet nader heeft aangegeven welk onderdeel of aspect der persoonlijkheid men met het ‘werk’ in verband wil brengen. Een persoonlijkheid kan zich b.v. in twee hoofdstroomen splitsen, die beide het landschap van het werk bevloeien; dit is nog maar zeer vereenvoudigd voorgesteld, zooals steeds, wanneer men beelden ontleend aan de buitenwereld, toepast op de ziel. Indien nu de eerste hoofdstroom als glimlachende rivier het landschap doorkruist, terwijl de tweede in een grot verdwijnt en voorloopig niet meer bovenkomt, wat is hier dan ‘de’ persoonlijkheid, de eerste of de tweede?
Dit is, dank zij het feit, dat het nog maar zeer vereenvoudigd is voorgesteld - u moet eens komen kijken als we onze mouwen opstroopen en het echt moeilijk gaan doen! - klaar en duidelijk. Maar wat is nu de persoonlijkheid, de glimlachende stroom tusschen beemd en veld of die rivier, die pardoes op een grot toeschiet en daarin verdwijnt? Maar ook:
wat heeft men in dit geval als ‘het’ werk te beschouwen, de vruchtbre velden en beemden, of de onderaardsche holen met hun stalactieten en stalagmieten? Het is duidelijk, dat het antwoord geheel afhankelijk blijft van het uitgangspunt dat men zich kiest, en dat de betrekking tusschen persoonlijkheid en werk en de mate waarin daarbij van een ‘verbergen’ of ‘openbaren’ sprake is, alleen beteekenis kan hebben als richtsnoer bij de beschrijving van elk bijzonder geval en niet als regel voor een constante verhouding of als voorschrift.
O zie, o zoo! De beroemde dichter E. du Perron, ook een onzer intelligentici, schreef het volgende even
[p. 327]
subliem-eenvoudige als visioenaire gedicht in zijn bundel Poging tot afstand:

Ik heb met eerbied het portret

van Vader uit de lijst genomen

waar zooveel stof was ingekomen

en toen weer in de lijst gezet.
Het is goedkoop en flauw om te zeggen, dat Kees Pruis het zoo ook kan, hij kan dat niet, hij zou er althans minstens nog een heele kluif aan hebben. Maar nu de vraag: waar verbergt de dichter zich, waar openbaart hij zich? Waar zie je hem, waar zie je hem niet? Waar is hij de lachende Maas, de grinnekende Jeker, de proestende Waal, en waar zijn zijn stalactieten (foei, je breekt je tong!) en zijn stalagmieten (je breekt je tong wéér!) Ieder onzer neemt wel eens een portret uit een lijst, waar zooveel stof was ingekomen, en zet het dan weer in de lijst, maar ....
Neen, ik wou zeggen, we zéggen het dan niet zoo meesterlijk, maar in den vorigen zin is het eigenlijk net zoo meesterlijk gezegd, per ongeluk, en omdat ik er niet op lette. Hebben wij echter iets te verbergen of te openbaren uit de lijst en in de lijst? Hebben wij eenige verontschuldigingen, als wij onder zooiets onzen naam zetten, Piet of Jan zus en zoo, en dat aan een uitgever zenden met het verzoek het te ‘bundelen’? Neen! De quintessentieele vraag moge gesteld worden: vloeien du Perrons schaterlachende wateren de lijst binnen, waaruit hij het portret van zijn vader neemt, en leidt zijn grotbeluste stroom achter het van stof bevrijde portret naar onderaardsche holen? Wat is glimlach in dit vers, wat water, wat hol, wat stalactiet of -miet, waar is het een verschuiling of een openbaring, onthult het of verbergt het zijn dichter?
Beantwoording van deze vragen ware tegelijkertijd hun ontkenning, een moeilijkheid die op te lossen is bestaat door dat feit niet meer. Daarom liever nog een citaat
[p. 328]
van Vestdijk, dat aan de vraag nieuwe moeilijkheden toevoegt. Een bekende wetenschappelijke figuur, schuil gaande achter het pseudoniem H. Cornelius, heeft een gedichtenbundel uitgegeven. Nu, zegt de scherpzinnige S. Vestdijk, niemand ter wereld zou uit dien bundel ook maar bij benadering kunnen opmaken met wat voor een persoonlijkheid hij hier te doen heeft.
Week en vrouwelijk van toon in hun religieuzen deemoed die maar hier en daar, en dan nog onder voorbehoud, door een accent van opstandigheid doorbroken wordt, in hun gevoeligheid voor het lijden van anderen, hun ontvankelijkheid voor de natuur als troosteres eerder dan als kneedbaar materiaal voor een creatieve omvorming, tenslotte door de weinig scherpe formuleering, die wel een laatsten samenhang tusschen God, wereld en Ik synthetisch zoekt te vangen, doch daarbij niet verder komt dan een vage, tusschen pantheïsme en vitalisme heen en weer slingerende wijsgeerigheid, vertoonen de gedichten van H. Cornelius, indien men eenmaal op dien samenhang opmerkzaam is gemaakt, de typisch contrasteerende sfeer van wat een exact natuurwetenschappelijk onderzoeker aan laatste levenswaarden zoekt buiten de enge grenzen van zijn vakwetenschap, die hem voor het overige geheel absorbeert.
Inderdaad, hier is geen touw aan vast te knoopen, om ook maar bij benadering uit te maken, met wat een persoonlijkheid wij hier te doen hebben. Religieus. Deemoedig. Slechts hier en daar en dan nog onder voorbehoud opstandig. Gevoelig voor anderer leed. Ontvankelijk voor de natuur als troosteres eerder dan als kneedbaar materiaal voor creatieve omvorming. Zoekend naar de synthese tusschen God, wereld en ik. Als agglomeraat genomen is het karaktereologisch meer dan Henriëtte Roland Holst, Gezelle, van Collem, Pauwels, Hélène Swarth en Henri Bruning te samen. En dan komt er nog het weeke en vrouwelijke bij, en het wisselende slingeren tusschen panteïsme en vitalisme, de laatste levenswaarden en het absorbeeren. Schaar al onze dichters om een bittertafel, die hen evenzeer maskeert als demasqueert, en dit slingerende zevenmaal-zeven-gezichtige curiosum haal je er niet uit,
[p. 329]
zelfs niet als du Perron, na het ‘doen’ met de plumeau van al zijn familieportretten, mee aan komt zitten. Hoe aardig en hoe boeiend is dit hemelsch spelen van Muse en Intelligentia in de ijle hoogte, hóóg boven het gelach en het gejoel der domme menschen daar beneden ...

  De Gemeenschap Oct 1, 2014 8:48 AM

Add your comments

In order to avoid spam on these blogs, please enter the code you see in the image.
Comments identified as spam will be deleted.



< previous
2 of 234
next >

Photo Galleries

Where I've been

My trip journals